• Mijn account
    • (X)Inloggen

      Ik ben al klant bij Poppenwinkel.com

      Voer je e-mailadres en wachtwoord hier in om in te loggen op de website:

      Wachtwoord vergeten?

      Nog geen klant bij Poppenwinkel.com?

      • Eerdere bestellingen bekijken
      • Automatisch verstuurgegevens ophalen
      • Track je bestelling
      Nieuw bij Poppenwinkel.com
Je bent hier:

Achtergrondinformatie Schildpad

Nog altijd geliefd bij groot en klein

Schildpadpoppen

Friedrich Bensinger liep al enige tijd rond met het plan om een fabriek te stichten voor de productie van hard rubberen (eboniet) voorwerpen. Zoiets doe je niet in je eentje. Daar heb je partners bij nodig. Die vond hij ook.
Het waren de eigenaren van het gerenommeerde Bankhaus Hohenemser & Sohne en de gebroeders Lenel. Zowel Bensinger als zijn medefirmanten waren gevestigd in Mannheim. Ziehier het begin van de wereldberoemde en nog steeds zeer beminde Schildkrötpuppe.

Achtergrondinformatie Schildpad

Op 3 april 1873 ondertekenden de drie partijen het oprichtingscontract, waarin ze zich gedurende een jaar aan elkaar verbonden. De oprichting van de Rheinischen Hartgummi Waaren Fabrik was een feit. De fabriek was gevestigd in Mannheim-Neckenau. Nu is een verbintenis voor één jaar wel erg voorzichtig. Maar welbeschouwd was dit begrijpelijk. Duitsland verkeerde in die periode namelijk in een landelijke handelscrisis. Veel jonge ondernemingen legden hierdoor het loodje. Maar de jonge fabriek van Bensinger zou, zo blijkt later, die dans ontspringen.

Haarkammen en siervoorwerpen
In die eerste jaren vervaardigde men vooral sierkammen, haarkammen en siervoorwerpen. Het ging de fabriek voor de wind. Ook buitenlandse importeurs, ondermeer uit Frankrijk, Rusland en Spanje, werden enthousiaste afnemers van de hardrubberen producten. Geregeld kwam het voor dat de fabriek dag en nacht moest doordraaien om aan de groeiende vraag te kunnen voldoen.
Maar een werkelijk indrukwekkende grote zet in de goede richting betekende het gebruik van een nieuwe grondstof: celluloid. Maar voordat het massaal voor speelgoed kon worden toegepast, moest er nog heel wat water door de ‘Rhein flieszen’, om het maar even plastisch uit te drukken.

Brandbaar en explosief
Want, hoe aantrekkelijk celluloid ook mocht wezen, er kleefden nogal wat problemen aan. Het materiaal was gevoelig voor verkleuringen en aan de houdbaarheid viel ook te twijfelen. Daarnaast was het bijzonder brandbaar. Celluloid is namelijk verwant aan het explosieve nitrocellulose.
De Rheinische Hartgummi Waaren Fabrik zette zijn mensen aan het werk om de basisgrondstof celluloid verder te ontwikkelen tot een bruikbare, veilige en duurzame grondstof. En daarin slaagde zij.

Afbeeldingsresultaat voor schildkrot puppen fabrik

Toch was de fabriek niet de enige pionier op dit vlak. Ook in Berlijn was een onderneming druk doende om dit doel te bereiken. Maar – zoals gezegd - het celluloid van de ‘eerste generatie’ was bijzonder explosief. En inderdaad, het Berlijnse bedrijf werd geconfronteerd met een flinke ontploffing. Met één flinke klap betekende dit het einde van de ontwikkelingsactiviteiten.

Pionier in celluloid
De chemicus die bij dit bedrijf de leiding had over de ontwikkeling van het celluloid, was ene Fritz Jander. Hij was overtuigd van de bijzondere eigenschappen van de moderne kunststof en wilde heel graag zijn onderzoekingen voortzetten. Nu het, wat zijn vorige werkplek betrof, einde verhaal was, besloot hij zijn heil te zoeken in Neckarau. Dat was bij de ‘Rheinische’ niet tegen dovemansoren gezegd. Men stelde Jander in de gelegenheid om zijn onderzoekingen voort te zetten. En inderdaad, hij slaagde er in om – samen met zijn nieuwe collega’s - het celluloid aanzienlijk te verbeteren. Zodoende kan de Rheinische Hartgummi Waaren Fabrik ook als dé pionier op het gebied van celluloid worden beschouwd.

Feniks uit de as
Het is natuurlijk niet één en al rozengeur en maneschijn voor de nog vrij jonge fabriek. In 1885 werd de fabriek getroffen door een niets ontziende brand die het hele gebouw in de as legde. Mede ontstaan door het brandbare celluloid. Bijna betekende dit het definitieve einde van de Rheinische Hartgummi Waaren Fabrik.
Met de vakkennis van de medewerkers als enig overgebleven bedrijfskapitaal, werd met vereende kracht een nieuwe fabriek gebouwd en kon de productie weer op gang worden gebracht. De fabriek herrees als een feniks uit de as.
Afbeeldingsresultaat voor schildkrot puppen fabrik

Tot het begin van de Eerste Wereldoorlog ging het voor de wind. De naam werd veranderd in ‘Rheinische Gummi- und Celluloid-Fabrik’. Er werd een aparte afdeling in zachtrubberproducten opgezet en de productiewijze en toepassingen van het celluloid werden verder ontwikkeld.Vooral kammen, siervoorwerpen en snuisterijen vonden van hieruit hun eindbestemming bij de consument. Dit gebeurde volgens de verhittingpersmethode. Het materiaal werd door verhitting vervormbaar gemaakt en vervolgens in mallen geperst. Na afkoeling was het voorwerp geschikt voor verdere afwerking. Aanvankelijk was celluloid duur. Maar daarin kwam in de loop van de jaren ’20 verandering door onder meer een betere productietechnologie.Ondertussen werden ook andere toepassingsmethoden voor het celluloid onderzocht, zoals de vervaardiging van poppenlijven. Deze activiteiten hebben ertoe geleid dat de fabriek haar uiteindelijke functie van ‘Poppenfabrikant bij Uitstek’ zou krijgen. Robert Zeller werd door de bedrijfsdirectie aangesteld om die ‘poppenpoot’ op te zetten. In 1896 rolden de eerste celluloid poppenlijven van de band.

Persen en Blazen
De lijven werden gemaakt door middel van de zogenaamde ‘persblaasmethode’. Eerst moest de kop worden gemodelleerd in was of klei. Daarna werd de vorm gevuld met gips. De vorm die daaruit voorkwam moest vervolgens worden gepolijst en bijgewerkt. Van die vorm werd weer een gipsvorm gemaakt die later diende als modelvorm voor een tweedelige mal van brons. De grondstof celluloid werd in de tweedelige bronzen mal gedaan, waarna onder druk hete lucht de mal werd ingeblazen. Het elastische celluloid werd als het ware tot een ballon die vanzelf de vorm van de mal aannam. Beide helften smolten tegelijkertijd aaneen. Na afkoeling was het celluloid hard geworden en konden de mallen worden verwijderd. Nu waren de onderdelen klaar voor verdere verwerking.
De voordelen waren veelzijdig. Celluloid was licht van gewicht, goed te modelleren en te beschilderen.

Pop met vijf koppen
De poppenmodellen hadden een romp, benen en kop aan één stuk en losse, draaibare armen. De armen waren geëlastiekt. Later volgden zesdelige lijven.
Zelfs verschenen er poppen met maar liefst vijf verschillende, onderling verwisselbare koppen. De koppenset bestond uit vier kinderhoofdjes en een káttenkop!
Ook leverde Schildpad door de jaren heen losse onderdelen en koppen aan andere fabrikanten, waaronder aan Kämmer & Reinhardt, Koenig & Wernecke en J.D. Kestner, alle drie gevestigd te Waltershausen, evenals Kley und Hahn uit Ohrdorf.
Kämmer & Reinhard gaf vooral opdracht om zijn eigen biscuitkoppen na te maken in celluloid. De ontwerpen werden door deze opdrachtgever zelf geleverd. Maar diverse andere fabrikanten lieten naast de vervaardiging ook het ontwerp over aan de ‘Rheinische’.
Desondanks is celluloid nog altijd brandbaar, niet lichtecht en deuk- en breekbaar bij wild gebruik gebleven. Vooral de brandbaarheid was een probleem. In 1904 werd zelfs een zending schildpadpoppen niet toegelaten aan de Russische grens. Jazeker, wegens de brandbaarheid van het materiaal.

Met slaapogen naar succes
Hoe leuk de poppen ook waren, de klanten liepen aanvankelijke niet ‘en masse’ af op de nieuwe producten. Breekbaar biscuit, kwetsbaar cellulose, onhygiënisch textiel en klossig hout lieten zich niet zomaar uit de kinderkamers verdringen.
Toen echter pedagogen de vele voordelen van het nieuwe materiaal onderkenden en aanbevolen, groeide de erkenning voor celluloid aanmerkelijk. Nadat men in 1903 bovendien kans zag de poppen ook nog van slaapogen te voorzien, was het hek van de dam. Het liep uit op een massaproductie. In 1906 was de achterstand in vergelijking tot detraditionele poppen zelfs volledig ingehaald.

Schildpad als symbool
Tegenwoordig zijn een logo of een beeldmerk bijna niet weg te denken. Het geeft niet alleen aan wat voor kwaliteitsproduct het is, maar het geeft ook enige status aan de koper. Hij of zij hoort bij een bepaalde groep wanneer je schoenen van dit of dat merk draagt. Vooral jonge mensen hechten waarde aan ‘het merk’.
Rond de voorlaatste eeuwwisseling was dat minder aan de orde. Vandaar dat – ook de mooiste - poppen vaak niet voorzien zijn van een signatuur, zoals bij Sonnebergpoppen vaak het geval is. Hoewel… als je als fabrikant overtuigd bent van de kwaliteit van je product en er bovendien een groeiende concurrentie is, wil je je toch graag onderscheiden. En dat doe je door je product van een duidelijke herkenning te voorzien. Zo ook op een gegeven moment door de Rheinische.

Prachtige metafoor
De onderneming koos voor het schildpadje als symbool. Celluloid werd immers ook gebruikt als alternatief voor het echte schildpadschildje dat menig siervoorwerp de nodige opsmuk gaf. Bovendien biedt het sterke schild het diertje de nodige bescherming. Het symbool gaf daarmee de illusie dat het celluloid ook zo sterk zou zijn. Kortom, het schildpadje was een prachtige metafoor voor het celluloid.
Het merkje zonder ruit is het eerst in gebruik genomen. Toch betekent het niet altijd dat de poppen die zijn voorzien van dit merkje daadwerkelijk van vóór 1912 zijn. Men maakte namelijk eerst de oude mallen op. Dus die zonder ruit zijn nog geruime tijd ná 1912 gebruikt. In 1912 wordt voor het eerst het merkteken van een schildpadje in een wybertjesruit gebruikt. Diverse decennia later, zo rond de jaren ‘40/’50 is het schildpadje wat ronder van vorm geworden en werden de pootjes wat meer van elkaar geplaatst.

Poppenkoppies met karakter
Aanvankelijk waren de meeste poppen – van welke fabrikant dan ook – voorzien van een uitgesproken poppensnoetje. Dat kon een jongens- of meisjesgezichtje zijn of een mooi mollig babysnuitje. Maar ook in die beginjaren van de vorige eeuw was er vraag naar karakteristiekere gezichtjes. Een mooi voorbeeld daarvan zijn de zogenaamde Kaiserpuppen, waar ook echt een prinselijk kind voor model had gestaan, zij het niet in letterlijke zin.

Miblu
Als u in het rijke bezit bent van poppen uit verschillende periodes, dan zult u zien dat men de gelaatskleur verschillende malen heeft aangepast. De pop kan een rozige vleeskleur hebben, maar ook een zongebruind tintje.
De onverwerkte kleur van celluloid is echter transparant. Daarom moest de poppenkop op kleur worden gebracht door het eerst met een gebroken witte en daarna met een rode kleurstof worden gespoten. Men noemde de teint Miblu, een samenvoeging van milchweisz en blutrot. De pop kreeg hierdoor een bleek/roze uiterlijk.

Oorlog en Japanse neppers
Toch vond de leuke schildpad ook geregeld beren op zijn pad. Voor de Eerste Wereldoorlog was de vraag naar de poppen zo groot, dat de fabriek regelmatig niet aan de vraag kon voldoen. Toen al waren Japanse fabrikanten bijzonder goed in het namaken van westerse producten. Dus werd daar ijverig aan de gang gegaan met het maken van ‘replica’s’. Zelfs schroomde men niet om ook het handelsmerk: het schildpadje in de nek en op de rug, te dupliceren.
Een pijnlijk probleem. Vooral omdat de loonkosten in dat vooroorlogse Japan vele malen lager waren. Dus konden de poppen aanzienlijk goedkoper worden aangeboden. En niet alleen dát, de Japanse neppers waren ook nog eens van bijzonder inferieure kwaliteit. Het celluloid was erg dun, dus bijzonder kwetsbaar. De kleurverwerking was bijzonder vaal en bleekjes. De beschildering werd meestal erg slordig aangebracht.

Afbeeldingsresultaat voor schildkrot puppen fabrik


Het was de Rheinische dan ook een gruwel dat het beeldmerk met het schildpadje ook nog werd misbruikt om die lelijke poppen aan de man te brengen. Het was puur plagiaat!
Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak kampte de Rheinische ook nog eens met gebrek aan grondstoffen én aan mankracht. De meeste mannen werden immers naar het front gestuurd. Dit had tot gevolg dat de Rheinische moest stoppen met de productie. Een gouden kans voor de Japanners, die prompt de Nederlandse, Engelse, Amerikaanse en zelfs de Duitse markt overspoelden met hun ‘schildpadjes’.
Over het reilen en zeilen in die periode 1914-1918 is niet veel informatie overgebleven. In 1923 bestond de fabriek vijftig jaar. Dat jubileum werd natuurlijk gevierd. Tijdens een lezing werd er wel op die verschrikkelijke oorlogstijd teruggeblikt. Men zei: “Het is voor velen onbegrijpelijk gebleven waarom er zoveel geleden moest worden. De angstaanjagende druk van de oorlogsgevolgen is een zware last.” Meer niet.
Ondertussen was de leiding in handen van de twee zonen van Friedrich Bensinger: Adolf en Carl.

Tijd voor familieplanning
Maar er braken ook weer betere tijden aan. In 1923 had men zelfs de marktpositie volledig herwonnen. De Rheinische was weer topproducent van celluloid poppen. Met zulke goede resultaten kon men in 1925 een eigen poppenontwerper in dienst nemen. Het werd één van de meest succesvolle uit zijn tijd: Franz Döbrich. Van oorspong was Döbrich modelleur van porseleinen poppen. Maar hij raakte snel vertrouwd met het gebruik van celluloid. Hij is de man die Karin en haar broertjes en zusjes ontwierp. Hij is de man achter deze ‘gezinsplanning’. Vanaf de jaren '30 maakten kinderen kennis met Bärbel, Hans, Inge, Christel, Ursul, het trappelaartje ‘Strampelchen’ en de diverse andere poppentypetjes. Tot op de dag van vandaag de meest herkenbare typetjes van die oude Schildpadfamilie.

Financieel debâcle
De jubelstemming over het vijftigjarige jubileum was echter niet van lange duur. In 1929 kwam de fabriek voor een zeer zware periode te staan. Grootste aanleiding hiervan was een verkeerde investering in de herinrichting van de Rheinauer Kampferfabrik. Maar liefst vier miljoen Rentenmark was hiermee gemoeid. De onderneming raakte in liquiditeitsproblemen.
Uiteindelijk heeft de Rheinische Gummi- und Celluloid- Fabrik ook deze catastrofe overleefd, zij het na ontslag van maar liefst duizend medewerkers.

Vooroorlogse schoonheid?
In de jaren ’30 was het opvallend dat de poppen allemaal gemaakt waren naar het vooroorlogse Duitse schoonheidsbeeld: de ideale Germaanse uitstraling met blonde of donkerblonde lokken en de helderblauwe ogen (al zijn er ook diverse poppen met prachtige bruine kijkers gefabriceerd).
In sommige – ook Duitse - naslagwerken en publicaties over dit fenomeen wordt dit expliciet aangehaald. Bärbel met haar opgerolde vlechtjes heeft inderdaad een typisch Duitse uitstraling. En Hans met de uitstraling van een sterke, gezonde Bube. Ze zouden bewust model zijn van het ‘Herrenvolk’. Of dit echt te maken heeft met de sfeer van die vooroorlogse periode, is moeilijk te bewijzen. Want ook Engelse poppen zijn vaak te herkennen aan typisch Engelse gelaatstrekken of kapsels. En datzelfde is ook te zeggen van de Franse en de Italiaanse.

Fabriek in puin
Ook het verloop van de Tweede Wereldoorlog heeft de fabriek de nodige ernstige problemen opgeleverd. Maar liefst 19 luchtaanvallen hebben de bedrijfsgebouwen getroffen. In 1941 stortte een viermotorige bommenwerper met zijn vernietigende lading en al, op één van de fabrieksgebouwen. Op 30 december 1942 gevolgd door het ernstigste gebeuren: een voltreffer vanuit de lucht, waarbij 21 mensen omkwamen en 50 ernstig gewond raakten.

De ernstigste gebeurtenis – wat de fysieke gebouwen betrof – vond plaats in mei 1945. Een artillerieaanval legde de hele fabriek in puin. Na dergelijke drama’s staat het maken van poppen natuurlijk op een veel lager plan. De medewerkers konden uiteraard hun werk niet meer verrichten. Ze werden met een salarisdoorbetaling voor de periode van twee maanden naar huis gestuurd. Van thuis zitten was natuurlijk geen sprake. Alles stond in het teken van het zoeken naar slachtoffers en het ruimen van puin.

Wederom uit de as herrezen
Nadat de oorlog was afgelopen was het aanzicht van de fabriek in Neckarau verschrikkelijk. Van de gebouwen en werkplaatsen was maar liefst 30 procent volledig verwoest en 40 procent zwaar beschadigd. Bovendien kwam het bedrijf, als gevolg van zijn betrokkenheid met I.G.Farben - die ondermeer springstoffen had ontwikkeld – onder Amerikaanse beperkingen en toezicht te staan. Aan de andere kant hadden de Amerikanen in die tijd diverse nederzettingen in Duitsland. Op hun beurt hadden dezen weer behoefte aan wegwerpbare kopjes en bekers, gummi schoenzolen en regenmantelfolie. Dit leverde weer werk op voor de fabriek, zij het op bescheiden schaal.

International
Betekenden deze ontwikkelingen nu ook het einde van de poppenproductie? Nee hoor. In 1952 werden alle Amerikaanse beperkingen opgeheven en in 1954 werkten er alweer circa 2500 mensen. Toch besloot men om nog maar niet in voller glorie de Schildpad op de pop te plaatsen. Tot rond eind jaren '50 / begin jaren '60 werden de poppen slechts gemerkt met 'Made in Germany' .
Maar het bleef goed gaan met de productie. Sterker: in 1959 nam de Rheinische Gummi und Celluloid Fabrik een meerderheidsbelang over van 70 procent in de firma Käthe Kruse Puppenfabrik te Donauwörth. In 1963 werden de dochterondernemingen Spezialkleider Altluszheim GmbH en Schildkröt-Klemmer Tischtennis GmbH respectievelijk overgenomen en gesticht. Voorts werden vestigingen in de Verenigde Staten, Engeland, Oostenrijk en Frankrijk in het leven geroepen en in 1966 trad de firma als belanghebbende in de Trix KG in Neurenberg. Trix KG is bij ons vooral bekend om zijn elektrische speelgoedtreintjes.

Afbeeldingsresultaat voor trix treintjes


In 1970 moest de fabrieksnaam om diverse redenen weer worden veranderd. Het was namelijk belangrijk om de productlijnen – die van de halffabricaten en die van de volledige fabricaten - te scheiden. Zo ontstonden de ondernemingen Schildkröt Trix Spielwaren GmbH en Schildkröt Kunststoffwerke AG. Laatgenoemde onderneming is overigens al in 1971 in andere handen overgegaan.

Käthe Kruse onder schild
Kunstzinnig en creatief als ze was, maakte Käthe Kruse de mooiste poppen van stof. Wie kent ze niet? Maar haar poppen waren niet bepaald goedkoop. Vroeger niet en zelfs tegenwoordig nog niet.|In de eindjaren ’50 werd het duidelijk: de gemiddelde Duitser kon zich een dergelijke dure, handgemaakte pop niet veroorloven. Daar kwam bij, dat mevrouw Kruse begon te voelen dat ze een dagje ouder werd. Zij was toen al in de zeventig. Kortom, de bemoeienissen met haar Poppenfabriek begonnen haar zwaar te wegen.

Randje van Bankroet
Om de kosten te drukken werd de fabriek eerst verhuisd naar een voordeliger onderkomen. Maar spijtig genoeg dit bood geen soelaas. Het ging op een gegeven moment zo slecht dat de firma van Käthe Kruse op het randje van faillissement kwam te staan. Ten einde raad is toen besloten om 70 procent van de aandelen bij ‘Schildpad’ onder te brengen.
Deze maakte daar direct dankbaar gebruik van. Op de Neurenberger Speelgoedbeurs presenteerde Schildpad voor het eerst twee Käthe Kruse poppen die – in plaats van handgemaakt uit stof – vervaardigd waren uit tortulon. Dit bracht zoveel positieve reacties te weeg, dat men nog meer Käthe Krusepoppen van tortulon op de markt bracht. Deze waren natuurlijk vele malen goedkoper dan de originele.
Dit moet voor mevrouw Kruse – die haar poppen met zoveel liefde en creativiteit geschapen heeft, een doorn in het oog geweest zijn. Pas in 1977 is Max Kruse in de gelegenheid om de aandelen weer terug te kopen.
Sinds alles weer in het bezit is van de Kruse familie, is het nooit meer tot samenwerking tussen beide poppenfabrieken gekomen.

Van celluloid naar tortulon
Wil men als bedrijf floreren, dan moet men inspelen op de wensen van de markt. Dat betekent dat nieuwe dingen ontwikkeld moeten worden en dat men moet stoppen met de productie van verouderde, niet meer gewenste producten. Voor de ‘Rheinische’ was dat niet anders.
Ten eerste was er vrijwel geen vraag meer naar hartgummi voorwerpen. Dus werd de productie daarvan stopgezet.
Celluloid mocht dan een mooie grondstof zijn en gedurende de jaren van toepassing naar beste mogelijkheden zijn verbeterd; het was nog altijd een brandgevoelig en kwetsbaar materiaal. Dus ging men gestaag door met de ontwikkeling van een beter en sterker, maar vooral veiliger, alternatief. Een grondstof die dezelfde aantrekkelijke voordelen heeft als celluloid, maar die tegelijkertijd veel minder brandgevaarlijk en sterker zou zijn.

Acetylcellulose
In 1953 kon de fabriek de vruchten plukken van al die bemoeienissen. Men presenteerde een nieuw materiaal – gecreëerd op acetylcellulose - dat alle voordelen had die men voor ogen had: Tortulit. Oftewel: Tortulon.
De naam is een afgeleide van het Latijnse woord Tortula, dat schildpad betekent.
Of een pop van celluloid of tortulon is gemaakt, is te zien aan het merkje. Er staat ‘tortulon’ bij, of enkel een T. En, om al die vernieuwingen helemaal ‘af ‘ te maken werd ook (weer) de naam veranderd. Van Rheinische Hart Gummi – und Celluloid Fabrik, werd het van nu af aan kortweg Schildkröt AG. In de voormalige Oostbloklanden is celluloid voor de poppenindustrie overigens nog tot in de jaren ’80 gebruikt.

Kruipend door berg en dal
Het bleef nog steeds met Schildpad goed te gaan. Gestaag kroop hij van het ene naar het andere hoogtepunt. In 1970 verwerft de speelgoedfabriek Schildkröt een meerderheidsbelang van 80 procent in de Franse poppenfabiek ‘Poupée Bella SA ‘te Perpignan. De Bellafabriek had een omzet van maar liefst 17 miljoen Mark op de Franse markt! Omdat de loonkosten in Frankrijk beduidend lager waren dan in Duitsland, werd een deel van de productie bij de Bella fabriek ondergebracht.
Voor de fabricage werd af en toe gebruik gemaakt van beider mallen. Zo komt het voor dat een gemerkte schildpadpop de uitstaande benen en de karakteristieke volgoogjes heeft van Bella!
Op het gebied van speelgoed was Schildkröt uitgegroeid tot een Europese gigant. Op de Neurenberg Spielwarenmesse, de beroemdste speelgoedbeurs in Europa, presenteerde de Schildpadfabriek de volgende productgroepen: Poppen, poppenkleertjes, baby en peuter speeltjes, schoolspeelgoed, de productgroep Gloria en tafeltennisproducten.

Poupée Bella
De afdeling Poppen werd snel de allerbelangrijkste bedrijfstak. In 1972 was de omzet maar liefst met 24 procent gestegen ten opzichte van het jaar daarvoor. En het jaar daarop kon een toename van 23.7 procent op het conto worden bijgeschreven.
Desondanks waren hiermee de financiële debâcles van de Tweede Wereldoorlog en de gevolgen van de indertijd opgelegde Amerikaanse beperkingen, nóg niet weggewerkt. Al steeg de omzet. Bovendien waren er ook nog andere kosten die maar bleven oplopen. Vooral de loonkosten.Om deze problemen het hoofd te bieden, werd de totále poppenfabricage ondergebracht bij de dochteronderneming Poupée Bella SA in Perpignan.De afwerking en aankleding van de poppen bleef in Mannheim-Neckarau onder handen.

Schildkröt anno nu
In 1974 is 50 procent van de aandelen van Schildkröt overgenomen door de bekende speelgoedfabriek Schmidt Spel+Freizeit GmbH. Later volgde de overige 50 procent. Maar alle moeite ten spijt: de problemen werden hiermee niet opgelost. In 1982 was de situatie zelfs heel kritiek. Schmidt Spiel+Freizeit besloot om alle aandelen te verkopen. Zodoende kon het echtpaar Hannelore en Hubertus Biemann uit Kaufbeuren het stokje overnemen. De Biemanns verwierven alle aandelen, patenten, mallen en modellen van de firma Schildkröt in oktober van dat jaar. De poppen met alle toebehoren werden vanaf dat moment in Kaufbeuren gemaakt. Ook de smaakvolle Klassik Kollektion behoorden tot één van de nieuwe initiatieven. Deze Klassik Kollektion is een gelimiteerde, behoorlijk kostbare, maar zeer exclusieve replicacollectie van de vroegere celluloidpoppen. Maar gemaakt van tortulon.
De fabriek in Kaufbeuren werd al snel te klein en is tegenwoordig gevestigd in Rauenstein-Thüringen.

Herken uw Schildpad
Er zijn miljoenen celluloidpoppen gefabriceerd en er is veel kaf onder het koren. Er zijn hele mooie bij, maar ook veel lelijk afgewerkte of van een dubieuze dunne kwaliteit celluloid. Niet zelden zijn deze van Japans of Chinees fabricaat.
Wij gaan hierbij uit van de bekende schildpadpoppen, die met het gemodelleerde haar. Een eerste herkenning is natuurlijk het merkje achter op de rug en de kop. Het is een lopende schildpad in reliëf. De latere poppen zijn gekaderd in een ruit. Maar hij komt ook voor met een rond, een ovaal of zelfs een drie of zeskantig kader. Poppen die vlak na de tweede wereldoorlog zijn geproduceerd voor de export, hebben geen merkje, maar alleen de tekst ‘Made in Germany’ op de rug. Dit zijn dus schildpadpoppen, maar zonder schildpadje. Dit is bewust gedaan omdat de Rheinische na de oorlog in diskrediet was gekomen en onder toezicht van de Amerikanen was gesteld. Ergo: er hing een geurtje aan het Duitse bedrijf. In – met name de tijdens de oorlog bezette landen – wilde men uit principe geen waar van verdachte Duitse bedrijven kopen. Vandaar dus slechts het gegeven ‘Made in Germany’.

Herkenbare kapseltjes
Het gemodelleerde haar – op de negerpoppen na - is altijd blond of bruin, zelden zwart. De verschillende typetjes zijn vooral herkenbaar aan de kapsels. Sommige meisjespoppen hebben opgerolde vlechten in typische dirndlstijl die in poppenland ook wel ‘koptelefoontjes’ worden genoemd. Deze zijn van het type ‘Bärbel’.

Afbeeldingsresultaat voor schildpad pop


Wenkbrauwen, mond en neusgaten zijn geschilderd, er werd geen gebruik gemaakt van transfers. Meestal zijn de mondjes gesloten, al komen er ook poppen voor met twee tandjes, zoals bij Erika en de grote Ursul. De armen zijn altijd gebogen en voorzien van welgevormde handen. Ring en middelvinger zijn aaneengesloten. De babypoppen hebben vaak een gemodelleerde en geschilderde lok over het voorhoofd en handjes tot knuistjes gebald.
Naast de reguliere poppenmodellen heeft Schildkröt AG ondermeer kewpies, googlies en poppenhuispopjes van celluloid vervaardigd.

Latere uitgiften
Natuurlijk is ook Schildkröt overgegaan op het gebruik van het veilige, zachte en sterke vinyl. En deze poppen waren overigens even vertederend en even gewild. In het begin waren de lijven van tortulon en de hoofdjes van vinyl. Sommige waren voorzien van een mammastemmetje in de rug of de buik. Later kwamen de zwaardere poppen die helemaal van vinyl waren, waaronder de poppen die ook bekend staan als zogenaamde ‘vleespoppen’ of ‘rubbertjes’. In het begin met piepertjes in de rug. Dat zijn tegenwoordig ook geliefde verzamelobjecten. Vaak werken de mammastemmetjes niet meer. Deze geluidjes worden gevormd door een blaasbalgje van rubber. In de loop der tijd drogen deze uit en wordt het rubber dus poreus. Hierdoor verliest het zijn zuigkracht. Piepertjes zijn vaak een langer leven beschoren.
Met het verdwijnen van taboes op seksueel gebied, zijn de moderne jongetjes en meisjes herkenbaarder gemaakt. Sommige poppen werden in de jaren 70/80 voor het eerst voorzien van een geslacht. Niet allemaal, want niet iedere koper is hier immers van gediend.

© Pers- en tekstbureau Heliant